Startpagina

Voorgeschiedenis

Je kunt zomaar doodgaan

Vorig jaar december kreeg ik een streptokok die mij ziek maakte. Hoge koortsaanvallen, geen eetlust en vermoeidheid. Ik was te lamlendig om mijn bed te verlaten. Na herhaalde antibiotica kuren belandde ik in het ziekenhuis. De streptokok ging zich op mijn hartklep nestelen en schoot propjes in mijn longen. Het was inmiddels februari 2012. De volgende maand moesten wij verhuizen naar Winsum.

Ik kreeg enorme hoeveelheden penicilline en moest mij voorbereiden voor een open hartoperatie. Een week voor de overplaatsing naar het Academisch ziekenhuis kreeg ik een CVA. Na het douchen en toilet bezoek, voelde ik een vreemde prikkeling in mijn rechterarm. Mijn been werd gevoelloos en ik viel in slaap. Daarvoor had ik nog mijn vrouw gebeld (“ik heb iets neurologisch”) en was de zaalarts en de arts assistent van de neuroloog langs geweest. “s Avonds was ik halfzijdig verlamd en kon ik niet praten. Dat was het allergste. Ik wist wat ik wilde zeggen maar ik kon alleen maar brabbelen.

De operatie moest doorgaan. De hartklep moest vervangen worden. De risico’s op meer bloedpropjes in longen en hersenen waren te groot. Je kon zomaar doodgaan! Hoe moest het met Gerry! Hoe moest het met de verhuizing? Zal ik David nog zien? Ik kon alleen denken (niet praten) Ik kon mijn arm en been niet bewegen. Hoe zou doodgaan voelen? Ik geloof niet een god of hiernamaals, dus hield me aan de kans dat ik zou blijven leven.

Na mijn operatie wist ik dat ik weer zou opknappen. Desnoods met een lam been en arm.
Ik heb geen last gehad van de verschillende katheters. De nodige zuurstof. De afvoer via de sondes vanuit het operatiegebied en de dichtgehechte wond op mijn borstbeen. De spuitpompen met alarmen waren voor mij wel verschrikkelijk. Als verpleegkundige van de hartbewaking wist ik wat er allemaal fout kon gaan. De vochtbeperking (ik mocht niets drinken) bracht me tot wanhoop. In mijn herinnering keek ik constant op de klok. De gehele nacht elke minuut en elke seconde heb ik gezien. En over die verschrikkelijke dorst. Ik mocht op een washandje zuigen. Mijn hand en mijn been hoorde er niet meer bij. Ik had zoveel gedachten. Maar ik kon alleen maar hakkelen. Sommigen woordjes (bijvoorbeeld droogshampoo) schreef ik met mijn linkerhand om te onthouden. Ik was bang dat mijn intellect naar een laagje pitje was gegaan. Een keer raakte ik in paniek; Zij hadden mijn bel niet aan de goede kant gehangen. Ik wilde Gerry bellen, maar ik wist niet meer hoe dat werkte.

Zonnehuis Oostergast Zuidhorn

Begin april verhuisde ik per ambulance naar Zuidhorn. Ik moest naar een kamer in het verpleeghuis. In het begin was ik nog te vermoeidheid om te beseffen waar ik lag. Ze hielpen me uit het bed in de rolstoel. Ik kreeg gemalen eten. Keek TV en las een boek. Dat laatste lukte niet, maar ik deed toch maar alsof. Na een paar weken voelde ik weer de kracht in mijn been. Ik leerde staan. Praten ging nog steeds niet. Ik stotterde en ik kon de woorden niet vinden.
Tijdens een overleg met de zorgcoördinator en Gerry huilde ik alle ellende van me af. Ik moest en zou naar huis. Binnen een paar weken kon ik mezelf helpen met douchen en aankleden, brood smeren en steppen in mijn rolstoel.
De fysiotherapeut gaf me het laatste zetje. Ze leerde me een eindje met de stok lopen. Dat was voldoende om naar huis te gaan.

Toen pas had ik het gevoel dat mijn revalidatie begonnen was. Ik begon te denken in doelen; Leren om de trap te beklimmen, leren om de computer te bedienen. Zou ik weer kunnen bridgen? Boodschappen doen? Eten koken? Zou ik weer eens normaal kunnen praten?

Sinds begin juni 2012 revalideer ik (ambulant) in het Beatrixoord in Haren; aanvankelijk 2 keer per week, momenteel 3 á 4 keer per week.

  Webdesign & onderhoud: DAD-ZZP